estherhugenholtz: Writing (Writing)

Hieronder vind u de derasja (droosje) die ik op vrijdagavond 21 mei heb gehouden in de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam.


Er zijn meerdere wegen naar de misjkan – pluralisme van kedoesja

Dit is mijn eerste keer dat ik in de LJG Amsterdam een droosje geef en wij boffen niet met deze parsje!
Dit is een complexe, moeilijke parsje met vele lijnen die door elkaar lijken te lopen. Parasjat Naso lijkt willekeurig en obscuur en adresseert een aantal moeilijke thema’s.

De vraag is: is de parsje ook willekeurig? We gaan op een korte ontdekkingsreis om een patroon te vinden.
Wat kunnen wij van dit ogenschijnlijk onsamenhangende stuk tekst leren?

 

De parsje in vogelvlucht vertelt het verhaal van:

-          Volkstelling van Gersonieten, Merarieten en Kehatieten die dienen in de ontmoetingstent.

-          Rituele onreinheid door tza’arat (een soort Bijbelse lepra), zav (genitale emissies) en toemat met (rituele onreinheid door de dood).

-          Het Sota ritueel van de vrouw die van overspel wordt verdacht.

-          De Nazir: de man of vrouw die zich toewijdt aan een ascetisch leven zonder wijn en zonder het haar te knippen.

-          De Priesterzegen (Birkat Kohaniem).

-          Het opzetten van het tabernakel en de twaalf stamleiders die hun vrijwillige offers komen brengen.

-          Mosjé spreekt met de Eeuwige in de ontmoetingstent.

 

De vraag is natuurlijk of er een onderliggend thema is. Wat is het belang van zoveel detail? En wat hebben al deze elementen gemeen?

Laten we drie mysterieuze thema’s nader bekijken: de Birkat Kohaniem, de Sota, en de Nazir.

De eerste is ons bekend en vertrouwd. De andere twee, echter, zijn onbegrijpelijker.
Maar het verbindende element is dat ze allemaal te maken hebben met de misjkan (het tabernakel) als symbol van de goddelijke aanwezigheid in onze wereld. En ze hebben allemaal te maken met kedoesja - heiliging.
Nadat we deze drie elementen besproken hebben, gaan we in op wat heiliging ons progressieve Joden vandaag de dag nog te bieden heeft.


Birkat Kohaniem/Priesterzegen: - dit is uiteraard bekend uit de liturgie.
In de parsje staat er emor lahem (Num 6:23) wanneer de Eeuwige de Kohaniem gebiedt het volk te zegenen. Volgens Rashi staat er emor lahem (meervoud) zodat iedereen - de hele kille (gemeenschap) de zegen kon horen en ontvangen. Iedereen telt mee.

Er is een interessant spanningsveld wat betreft de Priesterzegen. Wij zeggen de Birkat Kohanim voor onze kinderen op Sjabbat terwijl de overgrote meerderheid van ons geen Kohaniem zijn. Toch wordt Israël een goy kadosj (een heilig volk) een een mamlechet kohaniem (een koninkrijk van Priesters) genoemd. Het is belangrijk om te onthouden dat dit niet doelt op de zogenaamdede 'superioriteit' van het Joodse volk maar doet ons juist herinneren aan onze opdracht om de wereld te vervolmaken. Kortom: wees de zegen die je wilt ontvangen. 
 

Sota is het ritueel van de van overspel verdachte vrouw die voor de Kohen moet verschijnen.

Het is wel zo dat haar man haar eerst moet waarschuwen dat hij haar verdenkt en haar aanspreken op wat (in in deze patriarchale cultuur) op verdacht gedrag lijkt. Mocht zij deze waarschuwing in de wind slaan, dan heeft hij het recht om haar officieel te betichten.

Zij moet voor de Kohen verschijnen en de bittere wateren drinken.  Dit is gewijd water uit een aardewerken pot waarin stof van de vloer van de misjkan is vermengt. Tevens wordt er een vloek met de Naam van God op perkament geschreven en in het water opgelost. De vrouw moet vervolgens een eed afleggen bij de Kohen.

Als zij schuldig is dan zwelt haar buik en verschrompelt haar schoot. Is zij onschuldig dat zal zij zwanger worden.

Is deze zwangerschap een beloning voor haar trouw? Volgens Rabbi Akiva in de Babylonischa Talmoed, Masechet Sotah 26a werd een onvruchtbare vrouw vruchtbaar door de wateren.
Hoe kunnen we dit bizarre ritueel begrijpen in het kader van kedoesja - heiligheid?

In de
Bavli Kiddoesjin 30b  staat de er sjalosj sjoetafim (drie partners) betrokken zijn in de schepping van nieuw leven: de man, de vrouw, en de Eeuwige. Samen vormen zij een uniek verbond.

De parallel met het Gouden Kalf (egel hazahav) dat beschreven staat in Exodus 32 dwingt zich aan ons op. Hierbij het beeld wat de Israëlieten aanbaden verbrand, vermalen en opgelost in water. De Bne Israel werden gedwongen om er van te drinken.

Spirituele monogamie en echtelijke monogamie staan gelijk aan elkaar.
Kunnen we toch nog een relevante boodschap opmaken uit het Sota ritueel?

In
Bavli Sjabbat 116a staat geschreven over het Sota ritueel dat God bereid is om Zijn Naam te laten wissen voor sjalom bayit (een vredig gezinsleven) tussen man en vrouw. Hoe moeilijk het Sota ritueel ook te begrijpen is voor de moderne mens kunnen we er toch misschien uit opmaken dat het Sota ritueel de kracht heeft om een vloek tot zegen te maken, om een vrouw te redden van de schaduw van verdenking, om de harmonie tussen echtelieden te herstellen. De verdachtmaking van ontrouw kan worden getransformeerd tot een symbool van trouw - tussen man en vrouw en tussen God en mens. Heiliging door trouw is hier het thema.

 

De Nazir (nazireeër) functioneert als tegenhanger van de Kohen. De Nazir is iemand die vrijwillig kiest om een gewijd bestaan te leiden voor een bepaalde periode. Dit doet hij (of zij) door het afzweren van wijn en druifproducten en door het laten groeien van het haar. In deze parsje staat beschreven hoe de Nazir ook heilig is. Ki yazir l’adonai, kadosj adonai. Want hij is gewijd aan de Eeuwige en heilig voor de Eeuwige. Deze formulering, kadosj l'adonai staat ook op de diadeem van de Hogepriester geschreven.

In tegenstelling tot Priesterschap is naziroet een vrijwillig en egalitair principe. Elk Jood (ook een vrouw) kan een Nazir worden.

Interessant is dat een Kohen zijn allernaasten mag begraven ondanks het risico van rituele verontreiniging door toemat met. Een Nazir, echter, mag niet eens zijn naaste familieleden begraven omdat ook hij onrein kan worden. De parsje (Num 6:7) geeft hiervoor een reden: ‘ki nezer elohav al rosjo - omdat de kroon van de Eeuwige op zijn hoofd rust’.) Waarom het verschil tussen de Kohen en de Nazir? Men zou verwachten dat de restricties voor de Kohen nog altijd zwaarder zouden moeten zijn. De uitleg is dan ook dat de Nazir vrijwilig kiest voor zijn restricties, en de Kohen niet. Aangezien het Priesterschap een overerfelijke functie is erkent de Torá dat het onrechtvaardig zou zijn om de Kohen te veroordelen tot een situatie waarin hij niet eens zijn dierbaren kan begraven. De Nazir, echter, kiest bewust voor zijn of haar positie, zoekt die extra heiligheid op en moet daarvoor de consequenties aanvaarden. Hiermee wordt de Nazir ook een beetje een Kohen.

Een vergelijking tussen de twee posities dringt dan zichzelf ook op. Zoals de Nazir is heiliging iets waar we onszelf aan kunnen verbinden, hoe moeilijk die keuze ook is. En soms is heiliging iets wat je gewoon moet aanvaarden en moet integreren in je bestaan, zoals de Kohen.

 

Samenvattend zouden we kunnen betogen dat zingeving is de kunst van een lijn zien in het alledaagse of het willekeurige.

Wij lezen de Tora liefdevol met de vooronderstelling dat de tekst – hoe obscuur of problematisch ook - ons dieper inzicht kan geven.

Dit typisch Joodse en rabbijnse proces van kritisch en zorgvuldig lezen schept een dynamische relatie tussen ons, de tekst en de Eeuwige.

 

Ondanks zijn ondoorgrondelijkheid, zien wij patronen in de parsje die allen wijzen in de richting van kedoesja/heiliging. Zoals de priesterzegen die het volk heiligt, de Sota die gezegend kan worden door haar huwelijkse trouw en de Nazir die door eigen initiatief een rijker geloofsleven kan ervaren.

Maar wat betekent heiliging voor ons vandaag de dag? Blijft het alleen maar bij oude en obscure rituelen? Nee. Heiliging geeft ons de opdracht om bewust en ethisch met ons Jodendom bezig te zijn. Zonder betrokkenheid bij de wereld kan kedoesja introvert worden. Het is juist onze opdracht – vooral ook als progressieve Joden – om zelfbewust met beide benen in de moderne wereld te staan.

Kedoesja heb je niet – je streeft het na. Ik nodig u uit om na te denken over hoe bijzondere momenten en daden uw leven verrijken. Is dat door tikkoen olam? Door het doen van mitswot? Door lernen? Of door intens te genieten van de natuur en de wereld om ons heen? Door in aanraking te komen met de eigen creativiteit? Door het koesteren van menselijke relaties?

 

Dit is namelijk de kracht van deze parsje: het leert ons over een pluralisme van kedoesja – een modern thema. Net zo goed dat er verschillende manieren zijn om Joods te zijn, leert parasjat Naso ons dat er verschillende manieren zijn om kedoesja na te streven: door werk, ritueel, talent, devotie, (huwelijkse) trouw, gebed, creativiteit, liefde enzovoorts. Wij moeten ieder onze eigen manier vinden en daar met integriteit en authenticiteit – en niet te vergeten, vreugde - naar handelen. Zo kunnen we altijd de dialoog aangaan. Met elkaar en de Eeuwige. Er zijn namelijk altijd meerdere wegen die naar de misjkan leiden.

 

Sjabbat sjalom.

 

estherhugenholtz: Writing (Writing)

Een sprookjeshuwelijk of een zakenrelatie?


"Er was eens een koning die zijn koningin huwde. Hij gaf haar een zeer genereuze ketoeba (huwelijkscontract) met veel geschenken van zilver en goud, jewelen en zelfs ontroerend goed. Vervolgens vertrok de koning voor vele jaren naar het buitenland en zijn koningin voelde zich heel erg eenzaam. Vaak huilde zij om haar geliefde. Haar buren treiterden haar en zeiden, "waarom trouw je niet met een andere man? Je koning is zo ver weg, hij heeft je verlaten." Maar de verdrietige koningin vluchtte dan naar haar kamer en las de prachtige ketoeba en herinnerde zich de belofte van haar echtgenoot. Zij bleef hem trouw. Na vele jaren keerde de koning terug en was verbaast dat zijn echtgenote op hem had gewacht. Zij antwoordde hem, "mijn koning, ware het niet voor de prachtige ketoeba die u voor mij had achtergelaten, dan hadden mijn buren mij zeker kunnen overhalen.
"

Dit sprookje, als metafoor van het verbond van liefde en trouw tussen de Eeuwige en het Joodse volk, komt voort uit een midrasj—rabbijnse vertelling—uit Midrasj Eicha (Klaagliederen) Rabba.  

Het is deze metafoor van een liefdesrelatie die wij in de parasja van deze week verder zullen bekijken. De parasja (Va’era) kunnen we namelijk op twee manieren lezen: als geschiedenisboek of als een romantisch sprookje.

Als we het verhaal als geschiedenisboek lezen dan volgt er een opsomming van gebeurtenissen: de Eeuwige spreekt tot Mosjé, door een wonder verandert Aharon’s staf in het hof van Farao in een slag en uiteindelijk wordt het volk uit Egypte geleidt door middel van de tien plagen (waarvan er zeven in deze parasja genoemd worden).

Maar als we parasjat Va’era als liefdesverhaal lezen dan komt er een ander beeld naar voren: God ‘toont zich’ (va’era) aan Mosjé niet alleen als El Sjaddai maar ook met Zijn naam, de tetragrammaton (jhwh). Terwijl de Eeuwige zich aan Mosjé openbaart, spreekt Hij Zijn trouw uit over het verbond:


God zei tegen Mozes: ‘Ik ben de Eeuwige. Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God, de Ontzagwekkende, maar mijn naam JHWH heb ik niet aan hen bekendgemaakt. Ik heb met hen mijn verbond gesloten en Kanaän aan hen beloofd, het land waarin zij als vreemdeling hebben gewoond. Ik heb het gejammer van de Israëlieten over de slavenarbeid die hun door de Egyptenaren is opgelegd gehoord, en dat heeft mij aan die belofte herinnert. (Ex. 6:2-6)

De middeleeuwse commentator Rasji (Rabbi Sjlomo Yitzchaki, 1040-1105 v.d.g.j.) legt subtiel uit dat de Thora vertelt dat de aartsvaderen van het boek B’reisjit (Genesis) de godsnaam nog niet kenden. De tijd voor een diepere relatie met het goddelijke was er toen nog niet rijp voor. Pas met Mosjé komt de relatie tussen God en Israël tot wasdom en dan pas is het moment daar om diepere intimiteit te creëren door de openbaring van de godsnaam. Rasji voegt tevens toe dat de Eeuwige trouw zal zijn aan Zijn belofte—de belofte van verlossing. Dit komt tot uiting in vers 7:

Ik zal jullie aannemen als mijn volk en Ik zal jullie God zijn.

Als we de parasja door de lens van de liefde heen bekijken, als sprookjesvertelling, dan kunnen we de ontwikkeling van de deze relatie zien. De fase van de aartsvaders Abraham, Yitzchak en Ja'accov staat voor de shiddoech: het zoeken van de potentiële huwelijkspartner. Vervolgens kunnen we de dienst van de B'nei Jisraël in Gosjen zien als 'daten'--beiden partijen willen natuurlijk wel weten wat voor een spreekwoordelijk vlees ze in de kuip hebben! Met de Uittocht uit Egypte 'schaakt' de Eeuwige het volk Israël (kan het nog romatischer?). Bij de Rietzie vind de verloving plaats en deze wordt bezegeld onder de 'choppe' (huwelijksvoltrekking) tussen God en het volk bij het ontvangen van de Tien Uitspraken en de Thora op Sinaï.

De liefdesrelatie wordt op het moment van Matan Thora (het schenken van de Thora) in het huwelijk verbonden. Waarom juist dit moment? Men gaat geen huwelijk aan met elkaar tenzij de partners hun trouw aan elkaar bewezen hebben.

Een andere Midrasj zegt:

"Waarom geeft de Thora niet de Tien Uitspraken in het begin? Dit kan vergeleken worden met een koning die naar een provincie/gebied komt en vraagt, "mag ik jullie koning zijn?" [vorm van huwelijksaanzoek’] Het volk antwoordde: je hebt nog niets gedaan om te rechtvaardigen dat je over ons mag regeren. Wat deed hij vervolgens? Hij bouwde de muren, verzorgde de watervoorziening en vocht in hun oorlogen. Toen vroeg hij hen wederom, "mag ik jullie koning zijn?" Nu zeiden ze enthousiast "ja, ja". Zo ook bracht God de b’nei Yisrael uit Egypte, spleet Hij de Rietzee voor ze, gaf ze manna, water en kwartels en bestreed Amalek. Toen zei God, "mag ik jullie God zijn?" Toen antwoordde ze enthousiast, "Ja! Ja!"" (Mechilta)

Hieruit blijkt dat er altijd wederkerigheid moet zijn in een relatie; zelfs in de relatie tussen de Eeuwige en de mens. De Joodse traditie verwacht veel van ons mensen—door het doen van de mitswot (geboden)—maar verwacht tegelijkertijd ook veel van God. Dit is het kenmerk van een verbond: beide partijen gaan bewust de verbintenis aan en weten wat hun rechten en plichten jegens elkaar zijn.

De achterliggende vraag blijft natuurlijk: wáárom zouden wij de parasja als sprookje lezen en niet als ‘geschiedenisboek’, compleet met een lijst van gebeurtenissen?

Een van de redenen is dat we de Thora—en vooral dit gedeelte uit Thora—al zo vaak op een letterlijke of geschiedkundige manier benaderen. Het historische perspectief en bewustzijn spelen al een grote rol in onze chagim (feestdagen) met natuurlijk Pesach als exemplarisch voorbeeld.

Maar door de tekst als liefdesverhaal te benaderen, benadrukken we niet alleen een serie specifieke gebeurtenissen maar zijn we ook in staat om de grote lijn van het verhaal te zien: waar wil de Thora heen? Wat is het achterliggende doel? Op deze manier krijgen we overzicht op de totaliteit van het verhaal—van de universele symboliek van de schepping tot de dood van Mosjé.

Ten derde heeft de geschiedenis uiteindelijk geen eeuwigheidswaarde. Geschiedenis is tijd- en plaatsgebonden. Rijken en koningen staan op en vervallen. Culturen worden geboren en vergaan vervolgens weer. Maar de onderliggende boodschap van liefde die men in de Thora kan vinden is eeuwigdurend en persoonlijk. Wij kunnen ons als individu die in het Verbond staat die liefde verinnerlijken en vormgeven op een manier die ons raakt.

Tot slot is het metaforisch benaderen van deze parasja een belangrijke les tegen religieus fundamentalisme. De Thora is geen geschiedenisboek en heeft geen wetenschappelijke pretenties. Alleen fundamentalisten lezen de tekst letterlijk waardoor de diepgang en de gelaagdheid vervliegt. De eeuwigheidswaarde van dit prachtige boek ligt juist in het feit dat het een testament is van verbondsliefde en een kompas voor ons hart. De zinnelijke beeldspraak zegt zoveel meer dan de letterlijke betekenis van de woorden.

Natuurlijk kan men ook hier kritisch naar kijken: als de Thora een liefdesverhaal is dan moeten we tegelijkertijd onderkennen dat de werkelijkheid niet altijd zo sprookjesachtig is. Hoe zit het dan met het menselijk lijden? En wat betekent het verbond dan nog? Wat houd een ‘liefdesrelatie’ met het goddelijke in? Niet iedereen heeft zo’n rotsvast geloof of ervaart spiritualiteit op deze manier.

Toch kunnen we erkennen dat we in een liefdesrelatie—of deze nou van goddelijke of menselijke oorsprong is—niet alle antwoorden hebben. Ook in menselijke relaties weten we niet hoe de verhouding zich zal ontwikkelen. We groeien allemaal. Soms maken we ruzie. En af en toe zouden we de relatie wil willen ontbinden en er van willen weglopen. Dit hoort er allemaal bij. Uiteindelijk blijven we toegewijd aan onze ‘geliefden’ en aan de relatie zelf. Zo kunnen we groeien. Dit is ware liefde: rijk, complex, soms moeilijk maar altijd eerlijk en oprecht. Als we zo kunnen ervaren dan kunnen we het inderdaad een sprookje noemen—van oneindige waarde en eeuwigdurend.

estherhugenholtz: For discussing Torah and mitzvot (V'ahavta)

Parashat Vayetzeh is brimming with potential and is pregnant with becoming. Even though the parashah starts off with ‘vayeitzeh’(he went out), this really is the parashah of women, and of girls-becoming-women.

                As with any good story, the parashah opens with a mystery: Jacob, when travelling from Beer Sheva to Haran sets up camp to spend the night. It is there that he has his fateful dream of angels ascending and descending the ladder. But as it often goes with strange and inexplicable dreams, they teach us something. As God appears in Jacob’s dream, He says: “Remember, I am with you: I will protect you wherever you go.” (Gen. 28:14) Of course, Jacob awakes startled and proclaims: “Mah nora hamakom hazeh! – How awesome is this place!” The perennial way to start a journey of becoming.

                Then, the parashah shifts. Jacob meets the lovely Rachel at the well and falls in love with her, because she is “shapely and beautiful” (29:15). Does the Torah really want us to assume that good looks are really that important? All too often women compare (and compete with) our looks from which can stem a profound sense of inadequacy. It is tempting to see this parashah as a grand competition between two sisters, both entwined in each others’ pain. It is easy to become fixed on the externals—on the good looks of things—that we forget their potential and what they could become. Rachel and Leah were so trapped in sisterly rivalry for the love of one man that they negated their own potential. Their obsession with what was blinded them to what could be.

                And so, the Torah’s remark about Rachel’s physical beauty needs not to be read one-dimensionally. The Hebrew says: “Rachel haita yafat-to’ar v’yafat mar’eh”: And Rachel was beautiful of shape and of appearance.

Rashi comments on the word ‘mar’eh’. He says that this referred to the ‘shining of her face’. Our faces can become windows through which our essence shines. It does not have anything to do with skin-deep beauty but everything with potential and confidence and kindness. Maybe Rachels’ beauty was not external but internal. It seems fitting that immediately after the Torah describes Rachel’s beauty, the narrative states that Jacob loved her. A kinder (and more emancipated) reading would be that Jacob loved her for her neshama—her soul—and all the potential her soul engendered.

Does this excuse the troubling events in the parashah? Yes and no. Rachel and Leah get switched at the wedding. Leah feels deeply and desperately unloved. And both their father Laban and their husband Jacob do not display the most moral of conduct.

All these things implicate our patriarchs (and matriarchs) and the unsettling nature of the parashah resonates on both a moral and an existential level. But sometimes that’s just how life is. And moreover, this is also just how we experience life—our Biblical forebears being no different. We can all feel loneliness or self-deprecation. We punish ourselves with our insecurity and sense of inadequacy. This human condition applies to both genders but it is no surprise that the sisters Rachel and Leah seem to act as an example therein. All too often it is women who experience these emotions.

And so it is important to be aware that this is all part of being human and of self-actualization. Yet the beginning the parashah, featuring Jacob’s dream, could provide us both insight and comfort in this process. In the dream, the Holy One blessed be He said that He would always be with Jacob.

If emunah (faith) is to teach us anything, it is that in the hard moments of our lives, when we are fighting hard to become someone new and for our place in the world, we can trust in ourselves. Emunah lies not only in seeing the awesomeness of the place in which we stand or to feel loved by something greater than ourselves, but also in the ability to see ourselves as whole: as beautiful in both form and appearance.

So, whether we travel from Beer Sheva to Haran or any other of the myriad destinations of our lives, we can and should extend the kindness of angels to ourselves. In our coming and going as the parasha suggests, we can feel protected. But we can also protect ourselves by faith and trust and profound self-love and self-respect. Only then is the journey not merely on of travels and travails but also of becoming fully who were are, a mirage of the divine.

estherhugenholtz: Me (Default)

There is an idea that in order for religion to remain relevant, religion should make the comfortable feel uncomfortable. The ability of Judaism to be self-aware, critical and iconoclastic is especially revealed in how the tradition shapes our ethics regarding the treatment of the stranger, the disempowered and the poor.

 

Of course, many of us are familiar with the Torah’s insistence to treat the stranger with compassion since we were strangers in Egypt. The Exodus is often invoked as a motive for social justice, by the small and great alike, including Dr. Martin Luther King. However, there is a narrative perhaps even more powerful and certainly more unsettling than the Exodus narrative. This is the narrative of Sarah, Abraham and Hagar in B’reishit (Genesis 16).

            The story of Sarah, Abraham and Hagar is unsettling because it really brings home the point of what it means to be an outsider. Our own tradition confronts us with our own failings and prejudices. We are forced to re-examine the characters of our beloved Patriarchs and Matriarchs and we are forced to acknowledge that even they didn’t always live up to the ethical standards that we hold dear.

 

The story of Hagar and Sarah is well-known. Abraham and Hagar fail to conceive a child and it is Sarah who takes the initiative to give her servant girl Hagar to her husband (Gen. 16:1-2):

 

וְשָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם, לֹא יָלְדָה לוֹ; וְלָהּ שִׁפְחָה מִצְרִית, וּשְׁמָהּ הָגָר.

וַתֹּאמֶר שָׂרַי אֶל-אַבְרָם, הִנֵּה-נָא עֲצָרַנִי יְהוָה מִלֶּדֶת--בֹּא-נָא אֶל-שִׁפְחָתִי, אוּלַי אִבָּנֶה מִמֶּנָּה; וַיִּשְׁמַע אַבְרָם, לְקוֹל שָׂרָי.

 

“Sarai, the wife of Abram had not borne him children and she had an Egyptian maidservant and her name was Hagar. And Sarai said to Abram, behold now, the Lord has stopped me from bearing. Come please to my maidservant [so that] maybe I will be built up through her. And Abraham listened to the voice of Sarai.” (translation mine)

 

The epithet used to describe Hagar pointedly identifies her both according to her “race” and her “class”. She is an Egyptian maidservant, a person of lower status than Abram and Sarai (whose name, in fact, means “princess”). If Hagar (whose name is based on haGer, “the stranger”) is to bear Abram’s child, then why does the text choose to emphasize her social inferiority?

Rashi states: “She was a daughter of Pharaoh when she saw miracles done for Sarah and she said, ‘better to be a maidservant in this house than a mistress in another house.’” (translation mine)

 

The notion that Hagar is more than a mere maidservant but actually a daughter of Pharaoh sheds new light on an ancient and oft repeated dynamic: the relationship between the powerful and powerless, between Israel and Egypt. Is it coincidence that generations later, Moshe himself is rescued from the Nile’s watery embrace by “Bat Paro”, Pharaoh’s daughter?

 

In the light of our modern sensibilities, Rashi’s explanation of Hagar’s presence and even good fortune, to dwell in the household of Sarai, may be presumptuous. Is this the excuse we use to justify labor malpractices? To justify the employment of underpaid immigrant workers? Arguing that they are “fortunate” to dwell in our households? That they are better of as servants in our households and factories than masters in their own?

            Our sacred narrative challenges us to re-examine these assumptions. Maybe this is a case of middah k’neged middah (measure for measure), also known as poetic justice. After all, when our greatest spiritual leader was a mere infant, he becomes utterly dependent on the kindness of a daughter of Pharoah. Sarai “oppresses” Hagar and Hagar flees into the desert unknown (Gen. 16:6). Is this the kindness we should show the stranger among us?

 

The easiest compassion roused in our hearts is that which springs forth from our own traumas of oppression. This is why it is easy and perhaps even comfortable for us as the powerful and privileged to refer to the Exodus narrative as an ethical injunction on how to treat the stranger. After all, we were ourselves strangers in Egypt. But perhaps the most profound compassion comes from another, less expected, place. Perhaps it comes from a place of acknowledging that we too, can be the oppressors. As unsettling as this insight may be, it may provide us with real tools of respect and reconciliation: the awareness that we are all human and all part angel and part beast. The rest depends not only on the power dynamic in our lives, but thankfully also on our will to choose and do the right.

estherhugenholtz: Me (Default)

Er is tegenwoordig veel discussie over cultuur en cultuurrelativisme. Bij mijn studie culturele antropologie was het vraagstuk rondom cultuurrelativisme onvermijdelijk en ik moet toegeven dat ik het dilemma voor mijzelf nooit heb weten op te lossen. Is een cultuur uiting die ‘wij’ in het Westen onacceptabel vinden ergens anders wel acceptabel? In hoeverre laat je culturele factoren meewegen in je beoordeling van sociale rechtvaardigheid? En in hoeverre zijn er universele menselijke waarden? Kortom: wat is rechtvaardigheid en is dit absoluut of relatief?

De eerste man in de Torah die met dit netelige probleem te maken kreeg was Noach. Noach leefde in roerige tijden en het leven op aarde ging van kwaad tot erger:

 וַיַּרְא יְהוָה, כִּי רַבָּה רָעַת הָאָדָם בָּאָרֶץ, וְכָל-יֵצֶר מַחְשְׁבֹת לִבּוֹ, רַק רַע כָּל-הַיּוֹם.

 “En God zag hoe groot de slechtheid van de mens was op aarde en dat alle vormsels van zijn gedachten in zijn hart alleen maar de hele tijd slecht waren.” (Gen. 6:5 – mijn vertaling).

Vanwege het onethische gedrag van de mens kreeg God spijt van Zijn scheppingswerk en wilde Hij – als een impulsieve van Gogh die ontevreden is met zijn schilderkunst – de schepping uitwissen. Voordat Hij echter het mes in het canvas zette (of op de delete knop drukte) stelde Hij Noach aan om de boel te redden. Want ondanks de immoraliteit van de mensheid om hem heen, koesterde God hoop voor Noach. Immers was Noach een’ tzaddik’ (rechtvaardige) in zijn generatie:

וְנֹחַ, מָצָא חֵן בְּעֵינֵי יְהוָה.

 

אֵלֶּה, תּוֹלְדֹת נֹחַ--נֹחַ אִישׁ צַדִּיק תָּמִים הָיָה, בְּדֹרֹתָיו:  אֶת-הָאֱלֹהִים

 

”Maar Noach vond gunst in de ogen van de Eeuwige. En dit zijn de generaties van Noach—Noach was een rechtvaardig en puur mens in zijn generatie…” (Gen. 6:8-9 - mijn vertaling)

We weten hoe het verhaal afloopt. God geeft God Noach de opdracht om een ark te bouwen. Daarin slaat Noach een soort genetische databank op om de biodiversiteit na de Zondvloed te garanderen. God maakt een verbond met Noach en zijn familie en zij dobberen veertig dagen en nachten rond. Na 150 dagen slonk het water weer en kwam de ark tot rust en Noach kan eindelijk weer voet aan wal zetten. Dankbaar bracht Noach een offer tot God en God op Zijn beurt beloofd plechtig om de mensheid nooit meer te vernietigen (Gen. 7:21). Als bestendiging van dit prototype van de universele verklaring van de rechten van de mens zet God een regenboog in de wolken (Gen. 8:11-17). Eind goed al goed.

Waarom werd Noach gekozen voor deze taak? En wat hield zijn rechtvaardigheid in? Hoe rechtvaardig is iemand wanneer alles en iedereen om zich heen gecorrumpeerd is? De rabbijnen uit de Midrasj (B’reesjiet Rabba, hoofdstuk 9) zijn er niet over uit.

“Rabbi Jehoeda zei: in zijn generatie was hij een tzaddik (rechtvaardige) maar als hij in de generatie van Mozes of Samuel had geleefd dan was hij geen tzaddik geweest. Dit is als een parabel van iemand die een wijnkelder heeft. Hij opende een vat wijn en vond azijn. Hij opende een tweede en derde vat wijn en vond weer azijn. Zij zeiden tot hem, “het is zuur” waarop hij antwoordde, “en dit is het beste wat we hebben.” En dus was Noach in zijn generatie een tzaddik.” (Mijn vertaling)

Kortom: alles is relatief. Volgens Rabbi Jehoeda was Noach geen uitmuntende persoonlijkheid maar in vergelijking met de rest was hij de slechtste nog niet. Is dat acceptabel? Kan iemand goed zijn omdat de rest niet aan de morele standaard voldoet? Het lijkt me een povere reden om Noach als ‘tzaddik’ te bestempelen en wij kunnen ons afvragen of Rabbi Jehoeda Noach daarmee niet tekort doet.

Natuurlijk geeft dezelfde Midrasj nog een ander antwoord:

“Rabbi Nechemya zei, als hij in zijn generatie een tzaddik was, des de meer was hij een tzaddik geweest in de generatie van Mozes en Samuel. Dit is als een parabel over een fles met balsem, verzegeld met een dop en omwonden met draad. Deze fles was tussen graven (op een kerkhof) geplaatst en de geur (van de balsem) verspreidde zich door het kerkhof… des de meer was Noach de rechtvaardige van zijn generatie.” (mijn vertaling)

Rabbi Nechemya is genereuzer, al haalt hij wel een luguber voorbeeld aan: Noach was als een fles welriekende parfum in een vervuilde en stinkende omgeving. En zelfs ondanks de overweldigende stank wist Noach nog zijn geur te verspreiden. Ondanks de overweldigende slechtheid van de generatie van Noach, wist Noach zijn eigen morele gezag te handhaven. Stel je eens voor, zegt Rabbi Nechemya, als Noach eens had geleefd in de tijd van grootheden als Mozes en Samuel! Dan was hij een nog grotere tzaddik geweest. Noach had zoveel potentieel dat zelfs de slechte omstandigheden dat niet kon onderdrukken.

Als de stem van Rabbi Jehoeda het cultuurrelativistische argument weergeeft, dan suggereert de visie van Rabbi Nechemya dat er wel zo iets is als een absolute moraal of absolute goedheid; het soort goedheid dat niet gecorrumpeerd wordt door de omgeving. Rechtvaardigheid onderhandelt niet.

Beide rabbijnen hebben een punt. Vaak zijn we menselijk. Dan doen we het beste wat we kunnen doen onder moeilijke omstandigheden. Of soms hebben we geen beter inzicht omdat we beperkt worden door onze waarneming. Kunnen wij ons een wereld voorstellen zonder oorlog of geweld? Waar we niet gebonden zijn aan onze vooroordelen? Het is natuurlijk mooi om naar te streven. En dat is dan wat Rabbi Nechemya ook zegt. Rechtvaardigheid is niet relatief en zelfs in de meest verdorven omgeving zal echte rechtvaardigheid zegevieren. Als ik Noach (en het Verbond wat God via Noah met de hele mensheid sloot) zie als voorloper van universele ethiek, dan is dat een inspirerende gedachte, strevenwaardig.

 

 We hebben allemaal een stukje Noach in ons. Soms zijn we relatief en soms absoluut goed. Het is goed om naar het absolute te streven zonder het relatieve uit oog te verliezen. En we moeten het goede niet offeren in de zoektocht naar het volmaakte. Zelfs een klein beetje goedheid kan een groot verschil maken.



estherhugenholtz: Me (Default)

Hoe seksistisch is de Torah?

In veel discussies is dit een terugkerend thema en vaak wordt Genesis (B’reesjiet) in het beklaagdenbankje gezet. Het relaas van Adam en Eva/Chawa zou bewijzen dat de Torah onvrouwvriendelijk is. Werd Chawa namelijk niet uit de rib van Adam geschapen?

(Gen. 2:22):  וַיִּבֶן יְהוָה אֱלֹהִים אֶת-הַצֵּלָע אֲשֶׁר-לָקַח מִן-הָאָדָם, לְאִשָּׁה; וַיְבִאֶהָ, אֶל-הָאָדָם. I

(“En Adonai God bouwde een vrouw uit de rib die Hij uit de Adam had genomen en bracht haar tot Adam” – mijn vertaling).

Het scheppen van Chawa uit de rib van Adam zou haar minderwaardigheid bewijzen. Maar het woord ‘tzelah’ – rib – kan ook met ‘zijkant’ worden vertaald. Dit nuanceverschil is belangrijk: want het woord zijkant draagt veel meer gelijkwaardigheid in zich dan rib. Staat Chawa niet meer ‘zij aan zij’ met Adam, als zijn ‘ezer k’negdo’ – zijn hulppartner - naast hem?

Een meer gelijkwaardige lezing van de tekst rijmt ook met Gen. 1:27:

וַיִּבְרָא אֱלֹהִים אֶת-הָאָדָם בְּצַלְמוֹ, בְּצֶלֶם אֱלֹהִים בָּרָא אֹתוֹ:  זָכָר וּנְקֵבָה, בָּרָא אֹתָם.

(“En God schiep de Adam/mens in Zijn evenbeeld, in het evenbeeld van God schiep Hij hen: mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen” – mijn vertaling).  

Er is altijd van uitgegaan dat Genesis 1 en 2 met elkaar in tegenspraak zijn en in bijbel-wetenschappelijke kringen wordt dit verschil toegeschreven aan verschillende auteurs van de oorspronkelijke tekst. Toch kies ik er zo om het niet zo te lezen. Ik zie het contrast tussen Genesis 1 met zijn nadruk op gelijkwaardigheid niet als een contradictie met Genesis 2 waarin na verbanning uit Gan Eden de ongelijkwaardige rol van de vrouw wordt bezegeld. Ik zie Genesis 1 eerder als een ideaal en Genesis 2 als de meer weerbarstige werkelijkheid waarin zowel mannen en vrouwen vanaf het begin der tijden moesten zwoegen voor hun bestaan. Vervolgens ontstond hier een sociale werkelijkheid uit waarin vrouwen een ongelijkwaardige rol vervulden.

Descriptief is niet noodzakelijk prescriptief. Als Genesis 2 geen ideaal is maar een beschrijving van bittere realiteit, wat is dan de boodschap van Genesis 1? En wat betekent “zecher v’nekevah bara otam’ – mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen?

De rabbijnen die de midrasjiem (rabbijnse legenden uit de late Oudheid) schreven braken ook al hun hoofd hierover. Er zijn dan ook een legio aan interpretaties van hoe de eerste Mens geschapen is. Eén daarvan uit Midrasj B’reesjiet Rabba (hoofdstuk 8) is erg bijzonder:

“Rabbi Jirmia ben Elazar zei, in het uur [op het moment] dat de Heilige gezegend zij Hij de eerste mens schiep, schiep Hij hem als androgynos [omzijdig]. Rabbi Shmuel bar Nachman zei: op het moment dat de Heilige gezegend zij Hij de eerste Mens schiep, schiep Hij hem met twee gezichten. Hij spleet hem en maakte hem met twee ruggen [twee lichamen].” (Mijn vertaling)

Dus Adam als een omzijdig wezen of als Siamese tweeling? Niets gaat de rabbijnse verbeelding te boven. Het bijzondere is namelijk dat zij de Torah zo wel als goddelijk als multi- interpretabel zien. “Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen” betekent in de rabbijnse gedachtewereld dat er één wezen moest zijn geweest die op de goddelijke operatietafel chirurgisch gescheiden werd. Zo verenigt de Midrasj Genesis 1 en 2: want ‘tzelah’ – rib of zijkant – wordt in deze analyse meegenomen. De eerste Mens werd gesplitst in mannelijk en vrouwelijk via het scheiden van de zijkanten. 

De operatie is gelukkig geslaagd en Adam en Chawa begonnen hun leven als unieke individuen, beiden in het evenbeeld van God. Met hulp van deze Midrasj lees ik mijn Torah niet als seksistisch maar als een prachtig verklaringsmodel voor de verschillen en overeenkomsten – en de intrinsieke gelijkwaardigheid – van de geslachten. Genesis 1 roept ons op om de wereld van Genesis 2 kritisch te bekijken. Want pas als wij als mensen weer geheel in balans zijn, met elk een beetje mannelijk en elk een beetje vrouwelijk in ons (wat dat ook voor ons moge betekenen) keren weer een beetje terug naar het oorspronkelijke ‘Hof van Eden’. Hoe mensen hun gender definiëren en invullen is hun eigen vrije keuze. Maar ik geloof dat de wereld er een stukje beter uit zouden kunnen zien als we elkaar weer kunnen zien voor wat we zijn: allen in het evenbeeld van God geschapen.


Profile

estherhugenholtz: Me (Default)
Esther Hugenholtz

January 2011

S M T W T F S
      1
2345678
9101112131415
16171819202122
232425 26272829
3031     

Syndicate

RSS Atom

Most Popular Tags

Style Credit

Expand Cut Tags

No cut tags
Page generated Jul. 25th, 2017 06:55 am
Powered by Dreamwidth Studios